3.4.2. De Rotor.

 

De rotor heeft een de vorm van een driehoek. Omdat de rotor tegelijkertijd een translerende en een roterende beweging maakt, beschrijven de hoekpunten van de rotor een epitrochoïde vorm.

 

 

De zijden van de rotor hebben bewust een bollende vorm gekregen om hiermee een zo groot mogelijke afdichting te kunnen realiseren tussen de verschillende kamers tijdens het roteren van de rotor.

 

 

Figuur 16: Rotor.

 

Ook zien we in de bovenstaande tekening uithollingen in de flanken van de rotor. Dit is gedaan om een juiste compressieverhouding te kunnen realiseren.